|
Diagnose ogen
Sarcoïdose van het oog
De Duitse arts Schumacher beschreef als eerste afwijkingen aan de ogen bij een sarcoïdosepatiënt (iridocyclitis, regenboogvliesontsteking), waarna al snel bleek dat het oog vaker betrokken is bij deze systeemaandoening. In de literatuur wordt het percentage van oogheelkundige afwijkingen bij sarcoïdosepatiënten erg wisselend opgegeven; het varieert van 25 tot 63% van de patiënten. De oogarts Rothova vond in een groep van 121 patiënten, bij wie de diagnose sarcoïdose door middel van microscopisch onderzoek van weefselbiopten was bevestigd, bij 50 patiënten (41%) oogheelkundige afwijkingen. Ontsteking van het regenboogvlies, vaatvlies (uveïtis, ontsteking van de uvea) was hierbij de meest voorkomende aandoening, gevolgd door afwijkingen aan het bindvlies (conjunctiva) en de traanklieren. Opvallend hierbij was dat veel sarcoidosepatiënten met oogheelkundige afwijkingen weinig of geen klachten hadden, terwijl deze patiënten ook nauwelijks uitwendige tekenen vertoonden.
Dus is regelmatig oogheelkundig onderzoek (bijvoorbeeld éénmaal per jaar), ook als de patiënt geen klachten heeft, belangrijk om eventuele oogafwijkingen vroegtijdig op te sporen en eventuele nare gevolgen (op termijn) te voorkomen. Omgekeerd kan een oogarts bij patiënten met een uveïtis in 3 tot 7% van deze patiënten sarcoïdose als oorzaak aantonen. Bij 750 patiënten met uveïtis in het Oogziekenhuis te Rotterdam werd bij 7% van de patiënten sarcoïdose als vermoedelijke diagnose gesteld. Deze patiënten melden zich bij een oogarts met in eerste instantie klachten van de ogen en geen verdere tekenen welke op sarcoïdose wezen. Vaak zijn er verder nauwelijks of geen algemene verschijnselen.
Het aantonen van sarcoïdose is lang niet altijd eenvoudig en is afhankelijk van de nauwkeurigheid en uitgebreidheid van het onderzoek. Hierbij moet de ernst van de oogheelkundige afwijking worden afgewogen tegen de belasting voor de patiënt van het te verrichten onderzoek; een bronchoscopie is immers geen pretje en een X-thorax of Galliumscan geeft een zekere stralingsbelasting.
De oogklachten en verschijnselen kunnen meer dan een jaar vóór de algemene symptomen van sarcoïdose optreden. Bijna elk weefsel van het oog kan bij deze ontsteking betrokken zijn, terwijl de klachten sterk afhankelijk zijn van de plaats van de ontsteking.
Regenboogvlies- en netvliesontstekingen
Bij de plotseling optredende (acute) vorm van regenboogvliesontsteking heeft de patiënt plotseling een rood, soms pijnlijk oog (of beide ogen). Het zien is wazig, er zweven soms zwarte vlekken voor de ogen en er is vaak een overgevoeligheid voor licht. Dit kan, maar hoeft niet samen te gaan met algemene verschijnselen van sarcoïdose, zoals algemeen onwel bevinden en huid- en/of -longafwijkingen. Bij deze acute vorm worden meestal weinig complicaties gezien en de reactie op de behandeling met oogdruppels (deze bevatten corticosteroïden en pupilverwijdende stoffen) is over het algemeen goed. De chronische, geleidelijke vorm begint meer sluipend, heeft helaas meer complicaties, reageert slechter op therapie (druppels en/of tabletten) en heeft een slechtere prognose.
In het netvlies zijn met name de bloedvaten vaak aangetast, gelukkig meestal aan de randen, welke minder belangrijk zijn voor de gezichtsscherpte. In ernstige gevallen kunnen afsluitingen van vaten in het netvlies ontstaan met als gevolg bloedingen en vochtophoping (oedeem). Soms kunnen de vaatafwijkingen leiden tot het ontstaan van nieuwe bloedvaten, die weer bloedingen in het glasvocht (gelatine-achtig vloeistof in het oog)
en, gelukkig zelden, een netvliesloslating kunnen veroorzaken.
De oogarts kan deze afwijkingen waarnemen bij funduscopie (oogspiegelen), waarvoor de pupil met oogdruppels wijder gemaakt moet worden. Na dit onderzoek ziet de patiënt doorgaans tijdelijk (enkele uren) wazig.
De patiënt kan netvliesafwijkingen opmerken door het zien van zwarte vlekken, veroorzaakt door vertroebelingen in het glasvocht, welke met de beweging van het oog meegaan. Wanneer deze troebelingen toenemen en ook het centrale deel van het netvlies meedoet, zal het gezichtsvermogen afnemen. Indien deze vertroebelingen zeer dicht worden en onvoldoende reageren op lokale en/of algemene medicijnen kan een vitrectomie worden overwogen. Bij deze operatie wordt het troebele glasvocht met behulp van zeer fijne instrumenten weg-genomen en vervangen door ander vocht. Aangezien dit een ingrijpende operatie is, met risico's, zal deze ingreep alleen bij een ernstige bedreiging van het gezichtsvermogen worden geadviseerd.
Bij funduscopie kunnen ook afwijkingen in het onder het netvlies gelegen vaatvlies (chorioidea) worden bestudeerd. Deze afwijkingen gaan meestal samen met de al genoemde netvliesafwijkingen. Bij het verdwijnen van deze ontstekingshaarden ontstaan scherp begrensde littekens.
Andere aangedane delen van het oog
Een enkele maal kan ook de gezichtszenuw bij de ziekte betrokken zijn. Meestal is dit een reactie op al bestaande oogafwijkingen. Het bindvlies (conjunctiva) is vaak aangedaan, waarbij kleine bobbeltjes, ook wel follikels genoemd, kunnen ontstaan. Een biopsie van zo'n follikel kan behulpzaam zijn bij het stellen van de diagnose. De behandeling bestaat uit druppels, die meestal corticosteroïden bevatten.
Als de traanklier is aangedaan treden er met name klachten over droge ogen op. Deze betrokkenheid kan worden aangetoond met een Schirmer-test (met filtreerpapiertjes wordt de traanproductie gemeten) en eventueel een biopsie van de traanklier. Behoudens de verdere therapie moeten kunsttranen en/of zalf worden voorgeschreven.
Behandeling
Bij de acute regenboogvliesontsteking is toediening van oogdruppels, zoals pupilverwijdende- (atropine of scopolamine oogdruppels) en corticosteroïd-druppels meestal voldoende. Soms zijn injecties naast (niet in) het oog met corticosteroïden noodzakelijk, vooral bij aandoeningen van het netvlies.
De algemene therapie zal meestal bestaan uit corticosteroïd-tabletten (prednison), die dienen te worden gegeven in samenspraak met de internist of longarts, evenals andere middelen zoals Plaquenil en methotrexaat. Bij aandoeningen als staar, glaucoom (hoge oogdruk) en netvliesloslating zal de gebruikelijke oogheelkundige behandeling moeten worden ingesteld. Bij staar en netvliesloslating zal dit een operatie betekenen, terwijl bij glaucoom meestal met druppels kan worden volstaan. Indien het troebel worden van het glasvocht het zicht van de patiënt ernstig beperkt en onvoldoende wordt gereageerd op lokale en algemene therapie, kan een vitrectomie (vervanging van het glasvocht) worden overwogen.
|